Andere vondsten werden niet meer gedaan, al

“Andere vondsten werden niet meer gedaan, al vermeldt de inventaris van de opgraving wel enige scherven van bronstijd-aardewerk.

Twee jaar later, in 1935, werden in de directe nabijheid van de vorstengrafheuvel nog drie grafheuvels opgegraven. Deze dateren uit oudere perioden, de bronstijd en het neolithicum. Ook in later tijd bleef men vondsten doen. Met name toen in 1972 de rijksweg werd veranderd in een snelweg en er een nieuwe parallelweg naar Heesch werd aangelegd, zijn er een paar kringreppels en urnengraven ontdekt. Helaas zijn ook al deze vondsten slecht vastgelegd, zodat we nu alleen maar bij benadering weten waar ze hebben gelegen.

Tot in de jaren negentig is het terrein vervolgens gebruikt als autosloopterrein. Omdat de bovengrond in dit tien hectare grote gebied vervuild was, moest alles worden afgegraven en schoongemaakt, een buitenkansje voor de archeologen. Na lang speuren zijn uiteindelijk de resten van het Vorstengraf van Ossin 197 weer teruggevonden. Er was jammer genoeg maar een kwart meer van over, maar zelfs dat leverde nog hele mooie nieuwe gegevens op. Het resultaat van dit onderzoek is door Fokkens en Jansen gepubliceerd en een publieksboek met als titel ‘Het vorstengraf van Oss. Een archeologische speurtocht naar een prehistorisch grafveld’ (Matrijs 2004).

Ontdek de mysteries van de provincie Noord-Brabant Antwoorden van pagina 11

1. Dat klopt. De Nederlandse gemeente Putten, en de Belgische gemeente van dezelfde naam worden gescheiden door een straat, de Grensstraat. Aan weerszijden staan huizen waartussen voorwerpen of kisten smokkelwaar zich op mysterieuze wijze verplaatsten. Dat ging als volgt: men legde eerst een touw over de weg en bond er op Nederlands grondgebied iets aan vast. Vervolgens werd dit touw aan Belgische zijde over de weg getrokken. Het lukte de douane een enkele keer zo’n vracht te onderscheppen, maar van de smokkelaars was nooit een spoor te bekennen.

2. Dit is waar. Margaretha van de Engelen overleed op 5 februari 1658. Drie dagen later zwol ze op en begon haar lichaam een olieachtige substantie te lekken. Het vocht werd opgevangen in flesjes. Pelgrims stroomden toe en bij haar graf en met de olie werden vele wonderen verricht. Na haar dood wilde ze ‘branden voor het altaar van Jezus’. De olie werd in de godslamp van het altaar in Blyendaal gegoten, de lamp die dag en nacht voor het altaar brandt, en zo ging Margaretha’s hartenwens in vervulling. Ze brandde voor het altaar tot 1701, het jaar waarin het klooster gesloten werd.

3. Waar. Dit verhaal wordt inderdaad verteld.

De Pruisische koning Frederik de Grote ronselde jonge mannen voor de koning. Hij zocht hiervoor flinke kerels, die twee meter lang waren. Daarom gingen de jongens die gevaar liepen er bij het eerste teken van onraad vandoor. Vaak trokken ze dan naar Meijel, vanwaar ze makkelijk in de Peel konden onderduiken of over de grens naar Brabant konden vluchten. Velen van deze lange mannen vestigden zich in Meijel en trouwden er. Of de mensen in Meijel tegenwoordig ook nog langer zijn dan gemiddeld, is onbekend.

4. Vroeger, als de trommelaars van Den Bosch uittrokken, droegen ze armbanden met daarop de naam van hun stad in de vorm van een rebus. In het Provinciaal Museum zijn nog exemplaren van deze stadsrebus te zien. Het hartje (hert), de ogen, en de letters die samen de naam s hertogen bossche vormen, zijn bevestigd op een groen fluwelen band, omzoomd met een rood franje.

5. Een strikvraag. Natuurlijk speelt het verhaal zich niet af in Breda, maar de list met het Turfschip van Breda – waarbij militairen met een turfschip het Kasteel van Breda in werden gesmokkeld – is hier toch zeker op geïnspireerd. Prins Maurits, die de list bedacht, kende zeker zijn klassieken! Het leidde tot de inname van Breda op 4 maart 1590.

6. Nee. In een boekje dat tegenwoordig bij de Tilburgse vvv te krijgen is, staat dit uitgelegd. De naam kruikenzeikers is pas later ontstaan.

7. Dit verhaal klopt niet, althans niet voor Breda. In Zeeland ligt een dorp midden in de polder met dezelfde naam. Vroeger was dit nog water, en Sebastiaan de Lange liep hier met zijn schip aan de grond. Het Spanjaardsgat in Breda symboliseert het gat dat de Spanjaarden in hun verdediging lieten vallen in 1590, toen schipper Adriaen van Bergen een aantal soldaten het kasteel in smokkelde (Het turfschip van Breda).

8. Beide verhalen zijn afkomstig uit de volksoverlevering.

9. Er zijn twee plausibele redenen om aan te nemen dat kabouters mensen van vlees en bloed waren. De eerste voert terug naar de oertijd, toen er in Europa – zo blijkt uit grafvondsten – een zeer klein mensenvolk bestond, verre voorvaderen van de huidige pygmeeën. De tweede wordt geopperd door schrijver Ton van Reen, die meent te kunnen bewijzen dat kabouters werkelijk verbannen kleine mensen waren, zo gegroeid door een groeistoornis of een erfelijke afwijking. Deze mensen bestonden echt, en werden door de dorpelingen ‘kabouters’ genoemd. De stelling is daarom waar.

10. Ja. De Duitsers werden het verraderlijke veen ingelokt om daar in het zuigende moeras te worden verzwolgen, of te verzinken in vennen, kreken en kanaaltjes waaruit ontsnappen onmogelijk was.”